Groei gaat zelden gelijkmatig. Roosendaal is daar een mooi voorbeeld van: eeuwen bijna niets, dan een korte periode van bloei, dan weer terugslag, en vervolgens een explosie die de plaats in een paar generaties onherkenbaar maakte. Wie de inwonersaantallen naast elkaar legt, ziet geen nette lijn maar een trap met hele hoge treden.
De eerste bloei kwam van water. In 1451 werd de Roosendaalse Vliet bevaarbaar gemaakt en kreeg de plaats een haven. Turf uit de omgeving ging via dat water naar Holland, Zeeland, Vlaanderen en Antwerpen, en de zestiende en zeventiende eeuw waren het hoogtepunt van die handel. Daarna ging het mis. De Tachtigjarige Oorlog trof Roosendaal hard, want er waren geen stadsmuren of vestingwerken om achter te schuilen. In 1572 werden de kerk op de Markt, het raadhuis, ongeveer honderd huizen en een aantal schepen verwoest. In 1576 en 1583 volgden plunderingen, in 1590 en 1600 brandde de kerk af. Daarbovenop kwamen pestepidemieën in 1622 en 1626 en een stadsbrand in 1687.
Er was ook een korte, bijna vergeten episode van status. Onder Lodewijk Napoleon werd Roosendaal in 1809 tot stad verheven, met als motivering de uitgestrektheid en de volkrijkheid. Zes jaar later, na de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden, werden die stadsrechten weer ingetrokken. De vroege negentiende eeuw was dan ook geen tijd van voorspoed: er heerste grote armoede. In 1816 telde Roosendaal twee bierbrouwerijen, een bierazijnbrouwerij, een hoedenfabriek, zeven leerlooierijen, twee messenmakerijen, een olieslagerij en een paar molens. Nijverheid dus, maar geen industrie van betekenis.
Het kantelpunt was 1854. In dat jaar kwam de spoorverbinding met Antwerpen, Breda en Lage Zwaluwe tot stand en opende het station. Roosendaal werd daarmee een internationale doorvoerplaats, en wat volgde was precies wat je bij zo’n knooppunt verwacht: douanekantoren, expeditiebedrijven, en vanaf 1865 echte industrie. De cijfers laten het zien. In 1851 woonden er 6.501 mensen, in 1899 waren dat 13.720. De bevolking was in een halve eeuw verdubbeld.
Daarna versnelde het verder. In 1935 woonden er al 24.422 mensen in de gemeente Roosendaal en Nispen. In 1962 haalde de stad de 40.000, een moment dat zelfs het Polygoonjournaal filmde. Die groei is te zien in de kaart van de stad: Kroeven, Langdonk, Kortendijk en Tolberg zijn geen oude donken maar naoorlogse wijken, aangelegd om een bevolking te huisvesten die het oude centrum lang was ontgroeid.
Ondertussen veranderde ook het bestuur, maar langzamer dan de stad zelf. Met de gemeentewet van 1851 begon de politieke modernisering, al bepaalde een kleine groep notabelen nog lang de conservatief-katholieke koers. Het algemeen kiesrecht van 1919 bracht een eerste doorbraak, maar pas rond 1970 werden de traditionele patronen echt opengebroken en kregen landelijke partijen meer voet aan de grond.
De laatste grote verandering kwam op 1 januari 1997. Toen werden de gemeenten Roosendaal en Nispen en de gemeente Wouw samengevoegd tot de huidige gemeente Roosendaal. Daarmee kwamen Wouw, Heerle, Moerstraten en Wouwse Plantage erbij, en werd de gemeente in één pennenstreek een stuk landelijker dan de stad alleen.
Wat uit dit alles opvalt is hoe afhankelijk de groei was van verbinding. Eerst water, toen spoor, later de A17 en A58 en de ligging tussen de havens van Rotterdam, Antwerpen en Vlissingen. Elke keer dat Roosendaal beter werd aangesloten op de buitenwereld, groeide het. Niet omdat de stad zelf iets groots in de grond had, maar omdat er altijd iets door moest.