Op een zonnige dag loopt het Vrouwenhof vol met hardlopers, kinderwagens en mensen die een half uur niets hoeven. Het voelt als een gewoon stadspark. Dat is het ook, maar pas sinds relatief kort. Eeuwenlang was dit privéterrein, en wie hier wandelde deed dat op uitnodiging.
De oorsprong ligt rond 1300, toen op deze plek een hof en zetel van een heerlijkheid werd aangelegd door of namens de Heren van Breda. Over het oorspronkelijke gebouw is weinig bekend, mogelijk was het een omgrachte woontoren. De naam Vrouwenhof verwijst vermoedelijk naar de eigenaar: het goed werd als weduwgoed toegewezen aan Hadewij van Strijen. In de oudste stukken heet het ook wel het Huys te Rosendael.
In 1501 werd het huis verkocht aan Engelbrecht II van Nassau, waarmee het op termijn in de sfeer van het Huis van Oranje kwam. Daarna wisselde het bezit regelmatig en veranderde ook de naam: als leengoed stond het bekend als ’t Leengoedt. In de zestiende eeuw had de Antwerpse burgemeester Nikolaas Rockox het in bezit. Aan die periode hangen verhalen die voor Roosendaal groot zijn: prins Maurits zou het als jachtslot hebben gebruikt, Peter Paul Rubens zou er hebben verbleven, en vrijwel zeker werden hier voorbereidende onderhandelingen gevoerd die geleid hebben tot de Vrede van Münster in 1648.
Daarna ging het op en neer. Het huis kende perioden van verval en werd dus telkens verbouwd. Rond 1654 werd het ingericht als pastorie voor de Roosendaalse pastoor, waarvoor de abdij van Tongerlo 3060 guldens beschikbaar stelde. In 1669 verkocht men het aan een jonker en vertrok de pastoor naar een pand aan de Molenstraat, het latere Tongerlohuys. Het neoclassicistische uiterlijk dat het landhuis nu heeft, kreeg het grotendeels tussen 1810 en 1830, maar de kern is ouder: bij bouwhistorisch onderzoek bleken zeventiende-eeuwse en mogelijk oudere stukken muur bewaard.
Het park volgde een eigen route. De geometrische basisstructuur stamt uit de achttiende eeuw en werd later deels omgevormd in Engelse landschapsstijl. In 1916 werd het gewijzigd naar ideeën van Leonard Springer. In 1946 werd de gemeente eigenaar en een jaar later volgde de omslag die het park maakte tot wat het nu is: een ontwerp van Jan Bijhouwer dat het landgoed transformeerde tot stadspark. In de jaren daarna kwamen er voorzieningen bij die van een landgoed echt een openbare plek maken, zoals een volière en een speeltuin.
Wat nu park is, is maar een restant van het oude landgoed. De rest is stad geworden, en dat is precies waarom het Vrouwenhof zo centraal ligt: het is geen groen aan de rand, maar groen dat de stad om zich heen heeft laten groeien. In de zomer wordt dat extra duidelijk, wanneer de Vrouwenhofconcerten hier publiek trekken.
Het landhuis zelf heeft het minder goed gedaan dan de tuin. Het werd in 1964 door de gemeente gekocht en grondig verbouwd tot horecagelegenheid, en is na de sluiting daarvan voor een groot deel aan de elementen overgelaten. Een gebouw met zeven eeuwen geschiedenis dat op herbestemming wacht, terwijl om de hoek het park wel vol leven staat.